werking AED

Een AED zal na het aanzetten of openen van de deksel via een stem ondersteuning geven in de uit te voeren handelingen.
Volg de opdrachten die je hoort op. Het apparaat is veilig in gebruik en kan door iedereen gebruikt worden. 

Een persoon reanimeert, terwijl de andere persoon de AED in werking zet. Aan de AED zijn twee elektroden verbonden. Deze elektroden worden op het ontblote bovenlijf van een slachtoffer geplaatst. Het is belangrijk om de elektroden in één keer goed aan te brengen, gebruik daarom een schaar als kleding niet makkelijk verwijderd kan worden en eventueel een scheermes om overtollig borsthaar te verwijderen. De juiste plaatsing van de elektroden is rechtsboven en linksonder, deze staan ook aangegeven op de elektroden zelf. Uitzondering is de plaatsing bij kinderen, hiervoor geldt plaatsing op rug en buik indien < 25 kg en/of jonger dan 8 jaar.

 


Een computer in de AED analyseert het hartritme en bepaalt of er een schok nodig is. De AED is dus zo beveiligd dat het geen schok geeft als het niet nodig is. Als er wel een schok nodig is, houdt dan de nodige afstand van het slachtoffer. Daarna gaat de AED opnieuw analyseren en geeft indien nodig weer opdracht tot het toedienen van een schok. Ondertussen dient de reanimatie door te gaan tot de hulpdiensten arriveren.